DUITSLAND – Een loodzware deur zwiept open. Links een eindeloze zuilenrij, rechts immense raampartijen. De bouwmeester wijst naar een trap. "Die is vijfhonderd meter lang. Het gaat omhoog, omlaag...

en dan weer omhoog, als een golf". Een architectonische bijzonderheid en een megalomaan project, ontworpen door nazi's. Het is misschien wel de gevoeligste bouwplaats van Duitsland: de onvoltooide Kongresshalle in Neurenberg. Het hoefijzervormige gebouw moest de locatie worden voor de partijdagen van Hitlers NSDAP, met plek voor 50.000 nazi's. In de oorlog kwam de bouw stil te liggen.
"We hebben lang nagedacht over hoe hiermee om te gaan", vertelt cultuurwethouder Julia Lehner (CSU). Ze is geboren in Neurenberg, negen jaar na de oorlog, en zag hoe de stad omsprong met de kolos. Er waren tijdelijke exposities, plannen voor een winkelcentrum of stadion, en een postorderbedrijf gebruikte die als opslag. Maar er was vooral leegstand. "Veel historici vonden dat de beste invulling", zegt Lehner. "Leegstand laat zien dat het nazisme mislukt is. Het gebouw is niet afgemaakt." Een monument van mislukking dus.
Daarmee is de politicus het oneens. "De nazi's wilden een duizendjarig rijk scheppen. Hun monumenten zouden als ruïnes de geschiedenis ingaan, zoals ook met het Romeinse Rijk is gebeurd." Daarom moet het nazi-bouwwerk juist een andere invulling krijgen, vindt ze. Niet om het gebouw uit te wissen, maar het doel te vervangen.
Die nieuwe functie is gevonden: een operahuis. "We gaan het gebouw bezetten met de kracht van kunst en cultuur", zegt Lehner. Op de binnenplaats wordt een zaal gebouwd, in het monument zelf komen de toegang, garderobe en kantoren. "Het mag niet te mooi worden. Je moet het kolossale van dit tijdsdocument blijven ervaren". Diversiteit en inclusie zijn daarbij een steunpilaar, zegt Lehner. "Dat is belangrijk, want de nazi's wilden bijvoorbeeld mensen met een handicap juist buitensluiten. Wij doen het tegenovergestelde".
Zo zijn er meer nazi-monumenten die na lange discussies een nieuwe functie krijgen. Bijvoorbeeld de verpleeginstelling HuPfla in Erlangen, waar dat uitroeien van gehandicapten plaatsvond. "Hier werden vanaf 1940 zo'n 900 patiënten gedood, door vergassing en uithongering", vertelt historicus Julius Scharnetzky. Ook hier speelde de vraag hoe men moet omgaan met bouwwerken met een donker verleden. (NOS)